Theodorus Maria van Delft

Uit WaalwijkWiki
Versie door Inekevandenhoudt (Overleg | bijdragen) op 16 jan 2015 om 21:54

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken


Theo van Delft
Foto J. de Bont, GAW foto nr. 85997
Foto J. de Bont, GAW foto nr. 85997
Persoonsgegevens
Naam Theodorus Maria van Delft
Geboren Waalwijk, 21-8-1883
Overleden Waalwijk, 11-7-1967
Burgerlijke staat Gehuwd met Theodora Maria Heijnen
Overige gegevens
Beroep(en) Kunstschilder

Theodorus Maria (Theo) van Delft (Waalwijk, 21 augustus 1883 – Waalwijk, 11 juli 1967) was kunstschilder, beeldhouwer en directeur van de Waalwijkse Teekenschool.

De basis voor het kunstenaarschap van Theo van Delft werd al vroeg thuis gelegd door zijn vader. Deze begaafde man was behalve huisschilder tevens decoratieschilder en met krijt tekende hij soms portretten van stadsgenoten. Vandaar dat het voor hem maar een kleine stap was ook nog portretfotograaf te worden en met een fotoatelier te beginnen. Naast dit alles was Dorus van Delft een verdienstelijk directeur van de gemeentelijke Teekenschool in de Stationsstraat. Op deze regionale school kreeg Theo, evenals zijn artistiek begaafde broer Jan, zijn primaire opleiding in het vak teken. Tegelijkertijd stond zijn vader er op dat hij zich algemeen ontwikkelde en daarom liet hij hem ondermeer privélessen volgen in Frans en Duits. Zijn opleiding aan de Waalwijkse school rondde Theo in het cursusjaar 1902/1903 af met een eremedaille.

De vreugde hierover werd overschaduwd door het feit dat kort daarvoor zijn vader was overleden. Onder de naam ‘Wed. Th. van Delft en Zonen’ zette hij daarop samen met zijn broer Jan de fotozaak voort. In 1908 werd Theo alleen eigenaar. Vanaf dat moment vielen in De Echo van het Zuiden de Jugendstilachtige advertenties op waarmee hij de aandacht van het publiek op zijn fotoatelier poogde te vestigen. Toch was het beheer van de fotozaak niet meer dan een intermezzo dat duurde tot 1923. In dat jaar nam zijn assistent A. Oudkerk het atelier over. Zelf ging Theo van Delft toen in het herenhuis Grotestraat 170 wonen.

Zijn hoofdinteresse was en bleef de kunst. Om zich daarin verder te ontwikkelen schreef hij zich kort na zijn Waalwijkse opleiding in als leerling bij de ‘Koninklijke School voor nuttige en beeldige kunsten’ te ’s-Hertogenbosch. Hier kreeg hij in de periode 1904-1906 lessen in anatomie, stijl- en ornamentenleer, hand- en lijntekenen en schilderen naar het leven. Daar ontpopte hij zich tot een goed student, want met eerste en tweede prijzen voor diverse onderdelen sloot hij deze opleiding af. Typerend voor Van Delft was dat hij, geïnspireerd door zijn broer Jan, gelijktijdig op zondag nog privélessen nam bij de kunstschilder Piet Slager (1841-1912). Deze pater familias van de bekende Bossche schildersfamilie Slager had naam gemaakt als schilder van landschappen en bloemstillevens. Tevens was hij als docent verbonden aan de Bossche ‘Koninklijke School.’ De extra lessen van Piet Slager maakten het voor Theo mogelijk om al in 1904 de akte L.O. Tekenen te behalen. Daarmee werd hij bevoegd onderwijs te geven. Jaren later besefte Theo dat het goed was zich nog verder te vernieuwen. Om ook het beeldhouwen en boetseren onder de knie te krijgen, ging hij daarom in 1914 en 1915 op privébasis in de leer bij de Wageningse beeldhouwer August Falise (1875-1936). Zo werd hij een expert in verschillende disciplines.

Met de bedoeling om na zijn huwelijk in 1909 voor zijn jonge gezin het bestaan veilig te stellen, werd hij dat jaar tekenleraar van de Kweekschool voor onderwijzeressen te Oirschot (1909-1911). In dezelfde tijd begon hij ook tekenlessen te geven aan de ‘Teekenschool’ in Waalwijk. Hier nam hij in 1918 het directoraat over van zijn broer, die docent was geworden aan de Academie voor Beeldende kunst te Tilburg. Genoemde directeursfunctie zou Theo tot 1 april 1944 uitoefenen. Intussen spande hij zich in om ten behoeve van het voortgezet onderwijs over de vereiste diploma’s te beschikken. In Amsterdam volgde hij aan de Rijksnormaalschool voor Onderwijzers in het schooljaar 1913/1914 een dag per week een opleiding voor de akte M.O. Hand- en lijntekenen. Met een enorm doorzettingsvermogen slaagde de talentvolle Theo van Delft er binnen een jaar in het begeerde papier te verwerven. Daar bleef het echter niet bij. Dankzij zijn lessen bij de al eerder genoemde Augst Falise haalde hij een jaar later de akte M.O. Boetseren. Dit alles leverde geen windeieren op. Reeds in 1915 kreeg hij een aanstelling als docent boetseren aan de Katholieke Leergangen, een lerarenopleiding die toen nog in ’s-Hertogenbosch gevestigd was (1915-1919). Verder was hij van 1915-1918 als leraar tekenen verbonden aan de destijds bestaande Rijksnormaalschool, een opleiding voor onderwijzers, in Waalwijk.

Zijn echte draai in het onderwijs vond Theo van Delft aan de in 1916 in Waalwijk opgerichte R.K. Handelsdagschool (later R.K. HBS en nu Dr. Mollercollege) en aan de Waalwijkse Rijksvakschool voor Leerlooiers en Schoenmakers. Aan beide scholen was hij respectievelijk van 1916-1942 en 1918-1944 verbonden en gaf hij op zijn manier en volgens zijn inzichten met veel gevoel voor humor les. Met plezier dachten met name de oud-leerlingen van de R.K. HBS later aan zijn lessen tekenen en kunstgeschiedenis terug. Zij herinnerden zich vooral zijn pogingen om hen wegwijs te maken in de schilderkunst en zijn lessen in de buitenlucht. Naar het voorbeeld van de impressionisten die graag ‘en plein air’ werkten, trok hij dan de polder in. Daar liet hij hen, zoals een oud-leerlingen later schreef, schetsen maken ‘met altijd weer als achtergrond de toen nog niet gerestaureerde oude kerk aan de haven’.

Een enkele keer was hij op de R.K. HBS een beetje een vrijbuiter. Dan gebruikte hij zijn lessen om met zijn leerlingen spotprenten te maken over schoolse situaties. Blijkens een briefwisseling uit 1936 konden de toenmalige uit Friesland afkomstige directeur, drs. G.J. de Vries, en de moderator R.J. van Rooij deze Brabantse humor niet altijd waarderen. Met zijn fraaie illustratie bij het gedicht Lied van de Brabantse Eer van de Tilburgse priester-kunstenaar Fr. Siemer (1887-1967), verhoogde Van Delft drie jaar later zijn populariteit. De beweging ‘Brabantia Nostra’ gaf dat uit ter gelegenheid van de inzegening op 15 augustus 1939 van een Mariakapelletje, ‘de poort van Brabant’ genaamd, nabij de Moerdijkbrug.

Werken van Theo van Delft, GAW Foto nr. 71837.

Naast zijn werk in het onderwijs ontplooide de energieke Theo van Delft zich tot een kunstenaar van formaat. Te beginnen met een affiche voor de provinciale landbouwtentoonstelling in Waalwijk in 1910, kreeg hij steeds meer opdrachten en geleidelijk aan begon hij naam te maken als schilder van landschappen, bloemstillevens en portretten. Ook maakte hij gravures en krijttekeningen. Daarnaast kreeg hij bekendheid als beeldhouwer. Hiervoor gebruikte hij verschillende materialen die varieerden tussen kersenhout, gips, ongebakken klei, kalksteen, marmer en brons. Zijn virtuositeit en plastisch vermogen bleek verder uit het feit dat hij behalve dit alles opdrachten aannam voor mozaïeken, muurschilderingen (bijvoorbeeld in de trouwzaal van het Kropholler stadhuis te Waalwijk en in de Schoenfabriek Van Haren te Baardwijk) en plaquettes. Inventief was hij ook, want toen tijdens de Tweede Wereldoorlog het schilderslinnen moeilijk te krijgen was, schakelde hij over op triplex. Opmerkelijk is dat Van Delft in die tijd ook grote risico’s nam. Tijdens de bezettingsjaren maakte hij in 1944 in opdracht van uitgeverij De Branding in De Bilt naar een foto namelijk een portret van koningin Wilhelmina. Een reproductie daarvan werd wijd verspreid.

Als kunstenaar ging hij volledig zijn eigen weg en liet hij zich niet beïnvloeden door de in zijn tijd populaire, moderne stromingen als dadaïsme, kubisme en abstracte kunst. Veeleer vond Theo van Delft, voor wat zijn schilderingen betreft, zijn inspiratiebronnen bij het impressionisme, terwijl bij zijn beelden en plaquettes de invloed van de renaissancekunst en het classicisme duidelijk merkbaar is. Uit de diversiteit van de vele opdrachten die hij kreeg, blijkt grote waardering voor zijn werk. Zijn opdrachtgevers kwamen overigens uit allerlei kringen. Daarbij moet men denken aan particulieren, bedrijven, verenigingen en gemeentebesturen uit heel Nederland.

Nieuwe ideeën deed Van Delft op tijdens de talrijke culturele reizen die hij in de loop der jaren naar België, Frankrijk, Duitsland, Spanje en Griekenland ondernam. De daar opgedane indrukken legde hij vast in schetsen, krijttekeningen, aquarellen, kleine paneeltjes en schilderijen. Evenals zijn andere werk kon het publiek die bewonderen op de overzichttentoonstellingen die vanaf 1926 regelmatig plaatsvonden. De grote promotor daarvan was de levensgenieter Gérard van Imbeeck, zijn collega Franse taal van het eerste uur op de R.K. HBS. Deze probeerde zijn leerlingen enthousiast te maken voor de Franse kunst en buiten de school gaf hij lezingen over kunsthistorische onderwerpen. Ook publiceerde hij daarover. Samen met deze cultuurminnaar reisde Van Delft naar Griekenland. Ook waren beiden lid van de Waalwijkse kegelclub Hannibal. Daarbinnen formeerden zij onder de naam Dolfijnen een kleine vriendenclub van enkele vooraanstaande Waalwijkers. Het bijzondere van dit clubje was dat dit in Waalwijk toneelstukken liet opvoeren en regelmatig lezingen organiseerde. Daarvoor werden dan in die tijd bekende Vlaamse en Nederlandse schrijvers geïnviteerd, zoals bijvoorbeeld Frederik van Eeden, Wies Moens, dr. H.W.C. Moller, Anton van Duinkerken en Felix Timmermans. Deze laatste uitte zijn waardering voor de Waalwijkse kunstenaar door in 1928 een deel van het boek dat hij over de schilder Pieter Breughel schreef, aan hem op te dragen.

Ondanks het persoonlijke leed dat Theo van Delft trof -de tragische dood van zijn echtgenote bij een verkeersongeval in 1951 en het afbranden van zijn atelier in 1957- bleef hij tot het einde van zijn leven actief bezig. Op 11 juli 1967 overleed hij in de leeftijd van 83 jaar. De vele werken die hij nagelaten heeft, houden zijn herinnering nog steeds levendig. De gemeente Waalwijk eerde hem met een straatnaam en bracht daarmee hulde aan een zeer bijzonder man, die er zeker toe bijdroeg zijn geboorteplaats landelijk prestige te bezorgen.

Inhoud

Zie ook


Appendix

Bronnen


  • Gemeentearchief Waalwijk (GAW), De Echo van het Zuiden, 1910, 1928, 1946, 1967.
  • GAW, Marlies Meesters, Gemeentelijke Teekenschool te Waalwijk en de familie van Delft, bibliotheek, nr. 631.
  • Encyclopedie van Noord-Brabant (Baarn 1985), deel 1 en 4.
  • J.L.G. van Oudheusden, Brabantia Nostra. Een gewestelijke beweging voor fierheid en “schoner” leven 1935-1951 (Tilburg 1990)
  • P.A. Scheen, Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1880 (Den Haag 1981)
  • P. Thoben, Kunstschilder/beeldhouwer Theo van Delft 1883-1967 (Waalwijk, 1983).
  • F. Vercauteren, ‘Portret van een tijdvak. Neutraal of bijzonder onderwijs in Waalwijk’ in Meer dan onderwijs. 75 jaar Dr. Mollercollege Waalwijk (Drunen 1991).

De oorspronkelijke tekst van dit artikel is met toestemming van auteur Frans Vercauteren en uitgever Erfgoed Brabant overgenomen uit Brabantse Biografieën 8, Sprang-Capelle, Waalwijk, Waspik.
Zie voor meer Brabantse biografieën de website van Thuis in Brabant.

Noot


Gezien de hechte vriendschap van hun vader met Fr. Siemer (beiden waren actief binnen de Tilburgse studentenvereniging St. Leonardus), vermoeden de kinderen van Theo van Delft Jansz dat de illustratie bij het Lied van de Brabantse Eer van de hand van hun vader is. De familie is in het bezit van waarschijnlijk het originele exemplaar van dit geïllustreerde lied. Dit is echter ingelijst en uit angst voor beschadiging durft men het niet te openen om de handtekening te kunnen onderzoeken. Als dit lied inderdaad door Theo van Delft Jansz geïllustreerd is, zou toch nog gebeurd zijn waar beide Theo’s van Delft altijd bang voor zijn geweest, namelijk dat het werk van de ene werd toegeschreven aan de andere.

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Categorieën
Hulpmiddelen